 |
| Sla: frisse groene blaadjes | Al ligt sla in alle vormen en kleuren het hele jaar door in de groenterekken, toch smaakt hij het lekkerst als de zon schijnt en de tafel buiten op het terras wordt gedekt. De tijd dat enkel kropsla in de slakom belandde, is voorbij. l fiche
|



 | Omdat ik midden de stad woon, is een tuintje niet aan de orde. Mijn groene vingers leef ik uit op mijn dakterras. Iedere zomer ben ik apetrots op mijn ‘eigen gekweekte’ sla die ik verwerk in allerhande salades. In mijn bloembakken plant ik vanaf de prille lente tot de late herfst verschillende slasoorten. Van kropsla tot meer gesofistikeerde soorten als roquette, romaine en radicchio.
Kropsla wordt tegenwoordig al te vaak stiefmoederlijk behandeld. Onterecht, ze is de gecultiveerde versie van de wilde ‘oersla’. Haar melkachtige sap – vandaar haar Latijnse naam lactuca (melk) en de Franse benaming laitue - werd door de Grieken en Romeinen als geneesmiddel gebruikt. Het sap van de sla lijkt op het sap van papaver en werd eenzelfde verdovend effect toegeschreven. De Romeinen aten sla altijd aan het einde van de maaltijd om de spijsvertering te bevorderen en makkelijk – Romeinse maaltijden konden best zwaar op de maag liggen – in slaap te raken. Kenden de Romeinen verschillende soorten sla, in de middeleeuwen verdween de groente van de tafel. Pas in de 16de eeuw was sla weer in maar tot het midden van de 18de eeuw werd ze enkel warm gegeten.
Dat we nu sla vooral koud eten, danken we aan monsieur Albignac die eind 18de eeuw in Londen furore maakte bij de upperclass als ‘fashionable saladmaker’. Hij trok rond met een mahoniehouten kistje waarin zijn ‘ingrediënten’ voor de ‘salade’ staken: diverse oliën en azijnen, sojasaus, ansjovis, truffels, kaviaar en vleesfonds.
Welke slasoorten monsieur Albignac gebruikte, weten we niet, maar allicht kende hij romaine of Romeinse sla, een oeroude soort die al door de Egyptenaren werd gegeten. Het is een bindsla, een sla die geen krop maakt maar recht omhoog groeit en waarvan de bladeren dichtgebonden worden, zo blijft het hart bleek en zacht. Romaine smaakt iets wranger dan kropsla en is onmisbaar in de beroemde Amerikaanse ‘Caesar Salad’.
Ijsbergsla, een zusje van de wilde sla, werd in de18e eeuw voor het eerst in Frankrijk verbouwd. Eind 19de eeuw kwam de sla in de USA onder de naam Iceberg op de markt. Ze werd er meteen een hit maar verdween vreemd genoeg in Europa uit het keukenaanbod. Het waren de Amerikaanse troepen die de ‘Iceberg’ in 1945 opnieuw naar Europa brachten. De stevige lichtgroene bladeren van de ijsbergsla lijken wel doorzichtig alsof ze bevroren zijn. De smaak is pittiger en geuriger dan die van kropsla. Een variant op ijsbergsla is frillice of crispsla.
Volgens mij ontbrak ook batavia niet in het sla-assortiment van monsieur Albignac. Deze oude slasoort lijkt qua vorm op kropsla maar is de voorvader van de ijsbergsla. Het blad is sterk gebobbeld en gegolfd. Batavia is er in groen en roodbruin. De bladstructuur lijkt op die van ijsbergsla maar is zachter.
Pittig bitter smaakt de frisée die vaak verward wordt met de lollo bionda. Frisée – een zusje van andijvie - heeft een open gele krop die omringd wordt door krullerig, groen blad. Frisée geeft een groene salade pit en combineert uitstekend met spekjes, blauwe schimmelkaas en gebakken kippenlevertjes.
Wil je extra kleur en structuur in je salade dan is radicchio jouw sla. Dit meestal rond, klein maar stevig kropje heeft knapperige, rode blaadjes die licht bitter smaken.
En last but not least – mijn lievelingssla want makkelijk te telen in bak – de roquette. De langwerpige blaadjes met steeltje hebben een nootachtige smaak die prachtig samengaat met ijsbergsla, batavia en gegrilde Sint-Jakobsoesters.
|





|
|
 |